Depositphotos_6320936_xsSpraak- & taalontwikkeling

Kinderen ontwikkelen zich individueel verschillend. Dit geldt voor de motorische vaardigheden, het redeneren, het handelen en ook voor de spraak- en taalontwikkeling.

Baby’s communiceren hun behoeften door te huilen en stem­geluidjes te maken. Stilaan leert een kind differentiëren, het leert brabbelen, taal begrijpen en het gaat één- en tweewoord­zinnen gebruiken. Het breidt stilaan zijn woordenschat uit en diverse woordvormen komen aan bod om ten slotte “spelen­derwijs” tot communicatie te komen.

In de ontwikkeling van jonge kinderen verwachten we rond het eerste jaar de eerste woordjes. Het kan wat langer duren, maar we gaan ons zorgen maken als kinderen tussen 1½ en 2 jaar nog geen woordjes of klanken gebruiken die verwijzen naar iets of iemand.

 

Ontwikkelingsschema 

  • 1 jaar : veel en gevarieerd brabbelen, eerste protowoorden
  • 1,6 jaar : een aantal onvolledige woordjes produceren
  • 2,6 jaar : minstens 2-woordzinnen, vaak onvolledige woordopbouw
  • 3,6 jaar : 3 tot 5 woordzinnen, de grammaticale structuur is nog niet correct
  • 4,6 jaar : goede enkelvoudige zinsstructuren, woordvormen
  • 5,6 jaar : goede samengestelde zinnen en de meeste spraakklanken zijn ge­kend

 

Onderdelen van taal

Een kleuter moet de verschillende onderdelen van taalgedrag leren :

  • taalinhoud : woordenschat, voorzetsels, semantische relaties
  • taalvorm : zinsbouw, grammaticale regels
  • taalgebruik : waartoe dient taal (= communicatieve functies), conversatievaardigheden
  • actieve taal : spreken
  • passieve taal : begrijpen

Na het verwerven van de mondelinge taal (actief & passief) komen in het lager on­derwijs de geschreven taal (lezen en schrijven) aan bod.

Onderscheid tussen een spraakstoornis en een taalontwikkelingsstoornis

Wat is een spraakstoornis ?

Er is sprake van een spraakstoornis wanneer er problemen zijn met de uitvoering van de spreekbewegingen, waardoor de spraakklanken niet goed klinken. Dit is bijvoorbeeld het geval bij slissen, lispelen en nasale spraak. Soms kan het kind de klank niet vormen en slaat het deze consequent over of vervangt het door een andere klank.

Het is in dat geval belangrijk om te onderzoeken of het spraakorgaan (adembeheersing, stembanden, gehemelte, tong en lippen) in orde is en of de motorische mogelijkheden voldoende zijn om de spraakbewegingen uit te voeren. Sommige kinderen beheersen de fijne motoriek van het spreken nog onvoldoende, andere kunnen problemen hebben met de planning en aansturing van de spreekbewegingen.

Wat is een taalontwikkelingsstoornis ?

Een taalontwikkelingsstoornis is een stoornis in het leren van de moedertaal. Sommige kinderen zijn laat met het leren praten. Ze beginnen bijvoorbeeld pas op driejarige leeftijd met het praten in zinnen. Er is dan sprake van een vertraagde taalontwikkeling.

Bij andere kinderen verloopt de taalontwikkeling anders dan bij de meeste leeftijdgenootjes het geval is. Er zijn kinderen die goed begrijpen wat er gezegd wordt, maar moeite hebben met het verwoorden van hetgeen ze willen vertellen. Dan is er sprake van een afwijkende taalontwikkeling.

Oorzaken van een vertraagde taalontwikkeling

Vaak is er geen duidelijke oorzaak aan te geven en wordt verondersteld dat er ergens in het brein een minimale verstoring optreedt die met de huidige onderzoeksmethoden niet kan worden vastgelegd, ook niet met behulp van neurologisch onderzoek. Taal is ook een kwestie van aanleg. Zoals sommige mensen meer dan gemiddeld moeite hebben met bijvoorbeeld wiskunde, zo hebben anderen een zeer zwakke aanleg voor taal. De gebieden in de hersenen waarin de taalverwerking en taalplanning tot stand komen, kunnen anatomisch anders zijn of neurologisch niet optimaal functioneren. Dit is vaak erfelijk bepaald.

Bij niet-specifieke taalontwikkelingsstoornissen verloopt de taalontwikkeling vertraagd of afwijkend als gevolg van of in combinatie met een ander probleem, zoals een verminderd gehoor, moeite met de contactname of een verstandelijke beperking. De aanpak zal gericht zijn op de factor die het meest op de voorgrond staat.

Bij een specifieke taalontwikkelingsstoornis hebben we te maken met kinderen die uitsluitend problemen hebben in de taalontwikkeling.

Problemen met praten kunnen grote gevolgen hebben als ze niet worden onderkend. Als een kind dingen niet goed begrijpt of zich niet goed duidelijk kan maken, kan dat leiden tot misverstanden in de communicatie, vaak met frustraties tot gevolg. Die frustraties kunnen zich uiten in agressief of juist teruggetrokken gedrag. Een stoornis in de vroege taalontwikkeling kan op de lagere school ook leiden tot lees- en spellingsproblemen. En omdat taal ook een belangrijke rol speelt bij het denken kunnen taalproblemen leiden tot leerproblemen of leerachterstanden.

 

Kenmerken van een taalstoornis

Eén of meerdere van de volgende kenmerken kunnen voorkomen bij een kind met een taal(ontwikkelings)stoornis :

  • weinig woorden kennen
  • moeite hebben om op een woord te komen
  • vaak hetzelfde vertellen of vaak dezelfde woorden gebruiken
  • slecht verstaanbaar spreken zonder dat er mondmotorische beperkingen zijn of problemen met de planning en aansturing van de spreekbewegingen
  • veel fouten in de zinnen maken
  • erg korte zinnen maken
  • vaak niet begrijpen wat er verteld wordt
  • dichtklappen of zeggen “dat weet ik niet”, als er een vraag wordt gesteld
  • weinig praten, stil zijn
  • praten met veel denkpauzes, stopwoorden en herhalingen
  • driftig worden als hij/zij niet begrepen wordt of iets niet begrijpt
  • een belevenis of verhaal buiten het hier-en-nu onvoldoende in taal aan de luisteraar kunnen overbrengen

DYSFASIE

Een dysfasie is een neurologische spraak- taal ontwikkelingsstoornis waarbij het spraakbegrip is duidelijk hoger van niveau dan de eigen spraak & taalproductie. Het gaat hier om een opvallende discrepantie gebaseerd  op grond van een analyse van de spontane spraaktaal versus het non-verbale IQ of het taalbegrip. Dit betekent dat  de taalproductie echter altijd het meest gestoord is.

In de (gestoorde) spraak- taalproductie zijn daarnaast nog een aantal opvallende kenmerken nl

  • Erg korte zinnen maken
  • Vaak niet begrijpen wat er verteld wordt
  • Op commando spreken is moeilijker dan spontaan praten.
  • Vaak woordvindingsproblemen en moeite om elementen uit een verhaal met elkaar te verbinden .
  • Het taalbegrip is beter dan het taalgebruik. Je merkt dat een kind meer begrijpt dan het in woorden kan  zeggen. Het heeft problemen een antwoord te formuleren.
  • Het voeren van een dialoog kost duidelijk meer moeite dan spontane spraak. Het kind kan uit zichzelf iets vertellen, maar vraag je hoe het op school was, dan kan het kind dit  slechts moeizaam formuleren.
  • Het kind verstaat de woorden maar niet de intentie van de boodschap.
  • Er is meer woordenschat aanwezig dan syntaxis. .
  • Het verbinden van elementen uit een verhaal is moeilijk.
  • Het spreken is vaak niet vloeiend en er treden articulatieproblemen op.
  • Er is meer tijd nodig om informatie te verwerken,
  • Er kunnen aandachtsproblemen voorkomen omdat het veel energie kost om deze  handelingen te volbrengen.
  • Er  kan faalangst optreden.
  • Dysfatische kinderen  zijn vaak speels in hun gedrag en dromerig.
  • Vaak treden  sociale problemen op , ze leggen moeilijk contact via taal en hebben    problemen met het zich inleven in anderen.  Omdat ze moeite hebben zich te uiten voelen ze zich vaak onbegrepen en kunnen er driftbuien ontstaan.
  • Vaak  gaan ze bij opdrachten praten en doen ze  opdrachten hardop ,fluisterend
  • Ze raken soms de draad kwijt in een verhaal of zeggen woorden die op het goede woord  lijken maar niet goed zijn (erkennen i.p.v. herkennen)
  • Gebruiken vaak termen als ‘dinges’ en ‘weet je wel’
  • Zijn regelmatig slachtoffer van pesterijtjes en loopt dan meestal weg.
  • Kan  niet leeftijdsadequaat voor zichzelf opkomen.
  • Spelling en rekenen gaan vaak moeilijk
  • Lezen gaat moeilijk als ze direct moeten zeggen wat er staat en soms wordt het woord  uitgesproken dat op het geschreven woord lijkt qua betekenis (b.v. vijver i.p.v. fontein)
  • Maakt vaak slechte indruk bij het onthouden van begrippen (aangezien ze moeite hebben het te verwoorden
  • Heeft zeer veel moeite om van een instructie tot een antwoord te komen, met name     wanneer er bv. 2 boeken worden gebruikt om tot een antwoord te komen
Conversation togetherBij sommige kinderen verloopt de taalverwerving niet zo vanzelfsprekend. Ze heb­ben problemen met ‘moeilijke’ klanken zoals ‘sch’, ‘r’, ‘s’, ze gebruiken weinig grammaticale structuren of de woordenschat blijft beperkt.

Diverse gestandaardiseerde tests staan dan ter beschikking om een duidelijke diagnose te stellen. Deze gegevens stellen ons in staat een therapieplan op te ma­ken. Een taal- en articulatietraining kan reeds op zeer jonge leeftijd opgestart worden. Een kind dat een behoorlijke achterstand vertoont t.o.v. de norm die het zou moeten behalen, is een kind dat individueel logopedisch gestimuleerd moet worden. Als algemene regel geldt dat de spraak en taal in orde moeten zijn voor een kind leert lezen en schrijven. Bijgevolg is de laatste kleuterklas het meest ideale ogenblik om een logopedische therapie op te starten.

Aan het onderzoek gaat steeds een intakegesprek vooraf. We trachten zoveel mogelijk het volledige functioneren van het kind onder de loep te nemen en de verschillende factoren die een rol kunnen spelen in het spraak- en taalontwikkelingsproces te belichten.

Wanneer u met uw kind naar TRIANGEL komt, kunt u verwachten dat er onderzoek wordt gedaan naar de voorwaarden voor de spraak- & taalontwikkeling, zoals het gehoor en de mondfuncties. Verder worden het taalbegrip en de spraak- en taalproductie onderzocht, en de wijze waarop uw kind communiceert. Ook algemene ontwikkelingsaspecten worden bekeken, zoals het presteren op non-verbale taken en de motorische ontwikkeling. Tevens wordt een intelligentieonderzoek afgenomen.

Wanneer het uitsluitend om een geïsoleerd articulatieprobleem gaat zoals slissen (sigmatismus interdentalis) of het ontbreken van de ‘r’ (rothacisme) hoeven deze onderzoeken niet en kan onmiddellijk met de therapie gestart worden.

Nog even de onderzoeken op een rijtje die noodzakelijk zijn bij een taal & meervoudig articulatorisch probleem :

  • taalonderzoek (logopedisch)
  • articulatieonderzoek(logopedisch)
  • intelligentieonderzoek (psychologisch)
  • audiometrisch onderzoek (logopedisch)
  • motorisch onderzoek (psychomotorisch) vindt plaats in sommige gevallen waar tevens een motorische achterstand wordt vastgesteld

Tijdens het intakegesprek worden de data van de onderzoeken vastgelegd. Een aanvraag voor terugbetaling van logopedische en psychomotorische therapie is mogelijk. TRIANGEL brengt hiervoor alle formulieren in orde.

Mocht u na het lezen van deze info nog vragen hebben dan beantwoorden wij die graag.

Happy familyNa het onderzoek wordt u op de hoogte gesteld van de resultaten en wordt met u de verschillende therapie-opties overlopen.

Indien het om een erg jong kind gaat adviseren we de ouders vaak een opvolgonderzoek te laten uitvoeren in TRIANGEL. Dit gebeurt dan 6 maanden later. De evolutie kan dan vastgesteld worden en tevens kan bepaald worden wanneer therapie best kan opgestart worden. We gaan er steeds vanuit dat een kind het eerste leerjaar moet kunnen aanvatten zonder articulatie- of taalstoornissen. Het doel van het onderzoek is tevens een prognose te kunnen maken en een therapieduur te kunnen vaststellen.

Is therapie aangewezen, dan kan dit best in een multidisciplinair centrum gebeuren zoals TRIANGEL. De verschillende therapeuten werken samen en uw kind wordt op regelmatige tijdstippen geëvalueerd door het team, therapie wordt bijgestuurd en overleg tussen de verschillende disciplines is mogelijk.

Woont u te ver of is de verplaatsing niet mogelijk dan kunnen wij u adressen aanreiken van collega’s die met ons een samenwerkingsverband onderhouden en waarvan we weten dat de hulp adequaat en professioneel verstrekt wordt. Dit geldt zowel voor de logopedische als de psychomotorische therapieën.

Wordt de therapie in TRIANGEL opgestart dan trachten we de ouders zoveel mogelijk te informeren rond hoe ze de taalontwikkeling bij hun kind positief kunnen stimuleren en wordt ook de school actief betrokken bij de therapie. Na elke therapiebeurt volgt een woordje uitleg zodat er tijdens de week adequaat kan geoefend worden.