Depositphotos_14326627_xsALGEMENE INFORMATIE PSYCHOMOTORIEK

Psychomotorische therapie is een behandelingsvorm waarbij er gewerkt wordt rond de basisvaardigheden in de ontwikkeling van het kind.

 

 

Onder basisvaardigheden wordt verstaan :

  • Grove motoriek
  • Fijne motoriek
  • Inzicht in de ruimtelijke oriëntatie en structuratie
  • Kennis van het lichaamsschema
  • Lateralisatieproblemen
  • Concentratieproblemen

 Psychomotoriek wordt toegepast bij :

  • Kinderen/jongeren  met een motorische ontwikkelingsachterstand
  • Kinderen/jongeren met leermoeilijkheden of kinderen die niet schoolrijp zijn
  • Kinderen/jongeren met gedragsmoeilijkheden
  • Kinderen/jongeren met NLD
  • kinderen/jongeren met ASS (Autisme spectrum stoornis), AD(H)D

 

ALGEMENE INFORMATIE DCD / DYSPRAXIE

 De afkorting DCD staat voor  Developmental Coordination Disorder ook wel dyspraxie genoemd of  het “clumsy child syndrome”. Dit houdt in dat planning, coördinatie en uitvoering van verschillende motorische handelingen moeizaam worden geleerd en geautomatiseerd. Er treden probleem op met het bedenken, plannen en uitvoeren van bewegingen/handelingen

Bij kinderen met DCD vallen in eerste instantie hun onhandigheid, hun onbeholpen motoriek, hun vergeetachtigheid en aandachtsproblemen op.

Als kind leer je door oefening steeds nieuwe handelingen. Die worden opgeslagen in het geheugen deze handeling wordt een automatisme. Zo leer je fietsen, zwemmen, veters knopen enz.Bij kinderen met DCD gaat er iets fout bij het automatiseren van die handelingen. Het plan raakt niet of onvoldoende geautomatiseerd en het kind moet het wiel telkens opnieuw uitvinden.

 Over de oorzaak van dyspraxie is nog veel onduidelijk. Vaak wordt een probleem of onvolgroeidheid van neuronen genoemd. Vanuit de hersenen worden de berichten niet goed doorgegeven aan het lichaam. Zeker is dat dyspraxie een aangeboren handicap

Dyspraxie komt in verschillende vormen voor. Dyspraxie kan vooral de grove motoriek raken zoals lopen, fietsen en zwemmen. De fijne motoriek kan moeizaam worden geleerd, problemen met schrijven, tekenen en knutselen zijn het gevolg.

Bij kinderen met DCD zie je o.a. (in min of meerdere mate) de volgende symptomen:

  • moeite met het aanleren van kruipen, lopen, zwemmen, fietsen, e.d.
  • moeite met organiseren en ordenen
  • problemen met de fijne motoriek
  • problemen met de grove motoriek en het evenwicht
  • slecht ruimtelijk bewustzijn
  • slecht bewustzijn van eigen lichaam (uit zich in onhandigheid en ongelukjes)
  • gevoelige tastzin
  • concentratie en aandachtsproblemen
  • spraak- en taalmoeilijkheden
  • slechte oog- hand coördinatie
  • slecht handschrift
  • leerproblemen zoals schrijf-, lees-, reken- en automatiseringsproblemen
  • vergeetachtig, verstrooid
  • slaapproblemen
  • sociaal-emotionele problemen

Niet elk kind met DCD heeft al deze symptomen en ook niet in dezelfde mate.

Meer uitgewerkt kunnen we stellen dat:

Een kind met dyspraxie lijkt vooral onhandig, het lopen gaat moeizaam en ze vallen veel. Een bal gooien of vangen, fietsen, zwemmen en skaten, het lijkt allemaal lomp en heel moeilijk.

Het ruimtelijk inzicht is beperkt. Kinderen vinden het niet prettig in het midden van een ruimte, aan de zijkanten is prima. In een rij lopen is lastig, liever vooraan of achteraan. Ze vinden het vooral naar wanneer mensen te dichtbij staan en dat ‘dichtbij’ kan soms voor anderen ver lijken.

Schrijven (een pen vasthouden), puzzelen, kralen rijgen, letterbakken leggen, veters strikken, kleien, borduren, enz., handelingen die te maken hebben met de fijne motoriek, leveren problemen op.

Volgorde en planning geven problemen. Tanden poetsen, aankleden, tas inpakken maar ook tafels leren in de goede volgorde.

Een slecht korte termijn geheugen, motorische vaardigheden moeten heel lang worden geoefend om geautomatiseerd te worden.

Gevoelige tastzin: kleding kriebelt of zit niet prettig, aanraking is niet fijn en haar kammen is een drama.

Kinderen met dyspraxie lijken jonger dan hun leeftijdgenootjes. Emoties worden soms wat overdreven, ze zijn snel geïrriteerd en ongeduldig. Belangrijk: kinderen lijken wel jonger maar hun intelligentie is normaal.

Het richtingsgevoel is slecht ontwikkeld, ze verdwalen gemakkelijk zelfs wanneer ze een plaats goed kennen maar verdwalen in de eigen school is ook mogelijk.

Problemen met tijd en in de ruimste zin van dat woord. Kloktijden worden laat aangeleerd, begrippen als avond, middag en zondagochtend worden niet begrepen, seizoenen en maanden zijn te abstract.

Instructies worden niet of verkeerd opgevolgd. Alleen wanneer een instructie wordt opgedeeld in deeltaken lukt het soms deze uit te voeren.

Child cutting out scissors paper.Een onderzoek vindt slechts plaats wanneer er voldoende aanwijzingen zijn dat grof- of fijnmotorische functies zich onvoldoende ontwikkelen. Vaak zien we dit optreden bij kleuters als een onderdeel van niet schoolrijp zijn. Vaak komt het bij lagere schoolkinderen voor als één van de oorzaken van leerstoornissen. Steeds is verder onderzoek aangewezen.

De onderzoeken gaan het niveau van verschillende deelvaardigheden na. Buiten grove en fijne motoriek worden volgende functies onderzocht : 

  • evenwicht
  • schrijfmotoriek
  • ruimtelijke oriëntatie en structuratie
  • lichaamsschema
  • lateralisatie
  • concentratie

Aan het onderzoek gaat steeds een intakegesprek vooral. Mochten er indicaties zijn richting DCD dan is het belangrijk te weten dat  het stellen van de diagnose  specialistenwerk is en uitgevoerd wordt door een multidisciplinair  team. Zij zullen zich baseren op informatie van de ouders en leerkrachten gekoppeld aan bijkomende onderzoeken. Naast een motorisch en een intelligentieonderzoek wordt er steeds een neurologisch onderzoek uitgevoerd.

Deze diagnosestelling is mogelijk in Triangel.

Up!De therapie wordt steeds voorafgegaan door de afname van een reeks gestandaardiseerde tests. Afhankelijk van de ernst van de resultaten wordt bepaald welke therapie zal worden toegepast. Het therapieplan bepaald de inhoud van de therapiesessies en wordt individueel opgestald in functie van de noden en tekorten.

Na het onderzoek bespreekt de onderzoeker de testgegevens met de ouders en wordt er, indien nodig, therapie geadviseerd. Deze vindt 1of 2x  per week plaats.

Tijdens de therapie wordt er op een kindvriendelijke manier aandacht besteed aan de tekortkomingen van het kind. Tegelijkertijd wordt ook het gedragsmatige aspect niet verwaarloosd en wordt het kind aangeleerd te denken en te handelen volgens een probleemoplossende wijze. Er wordt ondermeer gewerkt met de beertjes van Meichenbaum.

Ook jongeren komen in aanmerking voor een psychomotorische therapie.

Een psychomotorische therapie wordt gedeeltelijk terugbetaald door het ziekenfonds.